Informatievoorpaardenliefhebbers.jouwweb.nl

Paardengebit

20140604121541366-wisselschema.jpg

Paardentanden kunnen wel twee tot drie millimeter per jaar groeien. Met dat gegeven in je achterhoofd, begrijp je vast dat afslijting van de tanden noodzakelijk is. Wanneer de tanden te lang worden, of wanneer de ene tand en kies harder groeit dan de ander, kunnen zij het contact met elkaar verliezen. Het paard is hierdoor niet meer in staat zijn voedsel te kauwen. Vermagering is vaak het gevolg. Maar dat is niet het enige probleem: de bovenkaak van een paard is breder dan zijn onderkaak. Zonder de nodige afslijting kunnen scherpe hoeken aan de buitenkant van de onderkaak en aan de binnenkant van de onderkaak ontstaan. De scherpe randjes kunnen wondjes in het wangslijmvlies en op de tong veroorzaken.

Een paardentandarts heeft voor zijn onderzoek en behandeling diverse hulpmiddelen en werktuigen tot zijn beschikking. Tijdens het onderzoek en het aftasten van de tanden maakt de paardentandarts gebruik van een speciale mondklem, om te voorkomen dat het paard zijn tanden op elkaar zet en kan bijten.

De periodiek voor een tandbehandeling is leeftijdsafhankelijk. Jonge paarden die nog moeten wisselen, tussen anderhalf en vijf jaar, moeten twee keer per jaar worden gecontroleerd. Bij volwassen paarden volstaat een controle per jaar. Daarbij moet met name gekeken worden naar de snijtanden, het contact tussen boven- en onderkaak, de mate van slijtage en haken en tandsteen. Vaak ontstaan er op deze leeftijd problemen zoals een golfgebit of trapgebit. Bij een golfgebit vormen de kauwvlaktes van de hele rij tanden een golvende lijn. Kenmerkend voor een trapgebit zijn de onnatuurlijke hoogteverschillen van de tanden. Bij paarden boven de achttien jaar zijn de periodieke controles verschillend. Afhankelijk van de gesteldheid van de tanden kunnen de periodieken korter zijn dan zes maanden omdat bij oudere paarden losse tanden een bijkomend probleem kunnen zijn.

hd-paarden-wallpaper-met-twee-bruine-paarden-hd-paard-achtergrond.jpg

Een paard heeft gemiddeld maximaal 25.000 kauwbewegingen nodig om een dagelijkse portie hooi van zeven kilo op te peuzelen. Gebitsproblemen kunnen het hele organisme van het paard uit evenwicht brengen. Storingen in de spijsverteringsorgaan zijn vaak het gevolg van gebitsproblemen. Onvoldoende kauwen of malen van het voer kan leiden tot koliek of diarree.

Paardentanden dienen jaarlijks twee tot drie millimeter te slijten. Ter compensatie van deze slijtage schuiven de tanden vanuit de tandvakken steeds naar boven. Het wilde paard had deze groeiende tanden hard nodig voor het harde steppegras dat hij met zand en stenen fijnmaalde. Een wild paard gebruikt zijn gebit ongeveer 18 uur per dag voor het vergaren van voedsel. De kauwcyclus van het paard bestaat uit drie fases: de openingsfase (de onderkaak wordt van de bovenkaak losgemaakt), de sluitingsfase (de onderkaak beweegt zijwaarts en naar boven) en de krachtfase (de onderkaak beweegt zijwaarts terug in de centrale positie om het voer tussen de kiezen te vermalen). Het vezel- en vochtigheidsgehalte van het opgenomen voer bepaalt het zijwaartse uitwijken van de tanden. Hoe droger het voer, hoe geringer de beweging van de onderkaak.

Als het paard pijn heeft in zijn mond, wordt het kauwen verstoord. Hierdoor ontstaat een ongelijkmatige slijtage. Problemen bij het kauwen kunnen gevolgen hebben voor de gehele stofwisseling van het paard en daarmee voor belangrijke lichamelijke functies. Behalve de spijsvertering kunnen ook de bloedsomloop, de energiehuishouding en de orgaanfuncties verstoord raken. Ontstekingshaarden in de mond of kaak leiden tot koorts, moeheid en een algemeen verminderd welzijn van het paard. Bovendien kan een paard ook last krijgen van spierspanningen of blokkades in zijn hele lichaam als gevolg van gebitsproblemen. Zelfs kreupelheid is terug te voeren op uiterst pijnlijke ontstekingsprocessen of foutieve stellingen van het gebit. Spanningen rondom de hals spreiden zich verder uit naar de paardenrug en de ledematen en kunnen zelfs kreupelheid veroorzaken. Symptomen van gebitsproblemen kunnen zijn: een stinkende adem of een paard dat aarzelend eet en proppen voer vermengd met speeksel uitspuugt, zich lijkt te verzetten tijdens het rijden of hij slaat met zijn hoofd, ook zwellingen rondom de kaak en de wangen zijn symptomen. Een ander symptoom is vergroting van de oorspeekselklier. Deze klier produceert dagelijks tot vijftien liter speeksel en speelt dus een belangrijke rol bij het eerste verteringsproces van het voedsel in de mond. Daarnaast kunnen gebitsproblemen ook bijholteontstekingen met of zonder pushoudende nasale uitvloeiing veroorzaken. Vooral als er tanden in het gebit ontbreken is een regelmatige controle bijzonder belangrijk. De kiezen van de onder- en bovenkaak slijten elkaar bij het kauwen. Als een kies ontbreekt, heeft de tegenoverliggende kies geen wederhelft waaraan hij zich kan slijten, waardoor deze steeds langer wordt, tot hij als een stempel of beitel in het lege tegenoverliggende tandvak steekt. Een dergelijke stempel- of beiteltand verstoort de zaak behoorlijk. Daarom moet in zo'n geval de blijvende tand regelmatig (meestal om het half jaar) worden ingekort. Hoe ouder een paard hoe korter de wortel, hoe hoger het risico van wortelontstekingen. Wortelontstekingen die met pus gepaard gaan, kunnen de kaak doen uitzetten of leiden tot het ontstaan van fistels in boven- en onderkaak. De infectie zoekt in zo'n geval een uitweg via het benige tandvak en het kaakbot naar buiten toe. Op die manier ontstaat aan de buitenkant van het hoofd een opening (de fistel) waardoor de ontstekingsvocht of zelfs pus naar buiten komt.

De snijtanden kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van het verzet tegen de teugel bij de verzameling. Als de stelling van de snijtanden aan de onderkaak afwijkt van die van de bovenkaak, wordt de maalbeweging tussen de kiezen geblokkeerd en ontstaan druk en pijn in het kaakgewricht. Bij de zogenaamde head shakers is het moeilijker om de oorzaak te lokaliseren. Als paarden plotseling overmatig schudden met hun hoofd, weet menig ruiter niet hoe te handelen. Een van de oorzaken kan een ontsteking van de neusbijholtes zijn. Als je paard overgevoelig reageert op geklop op het hoofd dichtbij de neusbijholtes, kan een röntgenfoto uitsluitsel bieden.