Informatievoorpaardenliefhebbers.jouwweb.nl
Home » Ziek paard » Behandelingsvormen » Scintigrafie

Scintigrafie

Scintigrafie bij dieren is al een aantal jaren beschikbaar in Nederland. Deze techniek, waarbij gebruik wordt gemaakt van radioactieve straling, gaat uit van de activiteit in en doorbloeding van de weefsels

 

Bij röntgentechnieken wordt röntgenstraling vanuit de röntgenbuis door de patiënt gezonden en vervolgens op een gevoelige plaat opgevangen. Bij scintigrafie is dat juist andersom. Er wordt een vloeistof in de patiënt gebracht waardoor de patiënt zelf radioactieve straling uitstraalt die vervolgens door een camera wordt opgevangen en wordt omgezet in een beeld. De vloeistof die wordt ingespoten bevat twee componenten. Een radioactieve component en een zogenaamde tracer. De radioactieve component is een radio-isotoop, een radioactief geladen deeltje dat straling uitzendt en langzamerhand zijn geladenheid verliest. Het meest gebruikte radio-isotoop  is Technetium-99. Dit isotoop heeft een halfwaardetijd van zes uur. Dat wil zeggen dat na zes uur de deeltjes nog maar de helft van de lading hebben en zes uur later daar weer de helft van. Na drie dagen is dus 99% van de lading verdwenen. De tracer is een weefselspecifieke stof die door het te onderzoeken weefsel extra goed wordt opgenomen zodat de radioactiviteit met name in dit te onderzoeken weefsel gaat zitten en daarvan hele goede beelden kunnen worden gemaakt. Bij skeletscintigrafie, dat het meest wordt gebruikt bij paarden, is de tracer methyldiphosphonaat.

 

Het beeld wordt gemaakt door gebruikt te maken van een gammacamera. Deze registreert de door de patiënt uitgezonden straling. In de camera zit een heel groot natrium kristal waarin de radioactieve straling wordt opgevangen en omgezet in elektrische pulsen. Elke puls die wordt opgevangen door de kristal wordt een 'count' genoemd. De computer maakt vervolgens van deze counts een beeld. Het beeld van een scintigrafisch onderzoek ziet er heel anders uit dan van bijvoorbeeld een röntgenfoto of CT-scan. Het beeld van een röntgenfoto is gedetaillieerd, vooral wanneer ze met de digitale techniek zijn gemaakt. Een scintigrafisch beeld is minder gedetaillieerd echter het onderzoek is vele malen gevoeliger dan röntgenonderzoek. Met scintigrafie kan een botverandering van 2% worden gezien terwijl een röntgenopname slechts botveranderingen groter dan 40% weergeeft. Het beeld dat na een scintigrafie wordt gemaakt bestaat uit allemaal puntjes, voor iedere count één. Hoe meer radioactieve stof op een bepaald punt wordt opgenomen, hoe meer count op dat punt, daardoor zie je op een gegeven moment niet meer de afzonderlijke puntjes, maar worden het vlekken, zogenaamde 'hot spots'. Op die plekken is er dus meer activiteit in het weefsel. Dit kan natuurlijk zijn omdat een bepaald lichaamsdeel altijd heel goed doorbloed is maar het kan ook een aanwijzing zijn dat hier iets aan de hand is. Wanneer er sprake is van een ontsteking, een irritatie in weefsel of bijvoorbeeld artrose van een gewricht, een aanhechtingsprobleem van een pees of ligament of een botscheurtje, dan is op die plek vaak een hogere doorbloeding en activiteit van het weefsel, dat zijn best doet om te herstellen. Ook bij tumoren kan er sprake  zijn van een verhoogde activiteit. Op zo'n plaats kun je dus bij een scintigrafisch onderzoek een veel grotere hoeveelheid counts zien dan in het normale, gezonde weefsel. Zo krijg je dus aanwijzingen waar een probleem zit. Maar niet iedere 'hot spot' is direct een diagnose. De beelden van het scintigrafisch onderzoek worden door een specialist radiologie geïnterpreteerd en moeten natuurlijk passen in het klinische beeld. Soms kan aanvullend onderzoek zoals röntgen, echografie of een biopsie (waarbij een stukjes weefsel wordt weggenomen) noodzakelijk zijn om het probleem verder te onderzoeken. Omdat nu bekend is waar het probleem zich precies bevindt kan soms met aanvullend röntgen en/of echografisch onderzoek het probleem alsnog in beeld worden gebracht.

 

Wanneer een scintigrafisch onderzoek wordt gedaan, wordt het paard eerst gelongeerd als de mate van kreupelheid dit toelaat. Het longeren wordt uitgevoerd om de doorbloeding van het skelet te bevorderen en de beeldvorming zo optimaliseren. Nadat de radioactieve vloeistof is ingebracht kunnen er drie gasen worden onderscheiden: de blood-pool fase, de weefsel fase en de bot-scan fase. Tijdens de blood-pool fase verspreid de vloeistof door  het gehele lichaam, deze fase duurt slechts enkele minuten. Vervolgens verspreidt de radioactieve stof zich door de weefsels. Ook bij paarden kan hiervan gebruik worden gemaakt. Wordt een paard ervan verdacht dat het probleem wel eens in de weke delen (zoals een pees) kan zitten, dan kan op dit moment al een eerste scan worden gemaakt. Deze scan wordt al na vijf minuten begonnen. De laatste fase, de bot-scan fase verloopt langzamer. In de bot-scan fase binden de radio-isotopen zich aan de botkristallen waarnaa de beenderen in beeld kunnen worden gebracht. Uiteraard kan eenmalig een beeld worden gemaakt van het te onderzoeken gebied, maar door de verschillende fasen is het ook mogelijk om een serie van beelden te maken. Door op dezelfde plaats iedere keer na een paar minuten weer opnieuw een beeld te maken kan worden gekeken hoe de radio-isotopen zich door het weefsel verspreiden. Hierdoor ontstaat een meer gedetaillieerd beeld van het te onderzoeken gebied

 

Scintigrafie is een veilige techniek. De hoeveelheid straling die vrijkomt na inspuiting van het materiaal is zeer laag en volledig onschadelijk voor het paard. Gedurende het onderzoek (in de wachtperioden tussen de fasen) en na afloop wordt het paard in een speciale quarantainestal gehouden. Het radioactieve materiaal wordt voornamelijk uitgescheiden via de urine. Het paard mag na twee tot drie dagen naar huis, dan is het volledig vrij van straling. 

 

Bij het paard wordt het meeste gebruik gemaakt van skeletscintigrafie of te wel de bot-scan. Het dient dan als aanvulling op de regulieren beeldvormende technieken zoals, röntgenonderzoek en echografie en wordt met name ingezet bij kreupelheidonderzoeken. Ook kan met scintigrafie ter controle van een bepaalde aandoeningen worden bekeken hoe het staat met de genezing. In tegenstelling tot de meeste andere onderzoeken is het mogelijk om het gehele paard te onderzoeken. Ook het bekken en de rug kunnen met scintigrafie in beeld worden gebracht. Het is mogelijk om ook onderzoek te doen naar de longwerking van het paard. Deze techniek is veel moeilijker, vandaar dat dit onderzoek bij paarden niet vaak wordt uitgevoerd.