Informatievoorpaardenliefhebbers.jouwweb.nl
Home » Paardensporten » Springen in de vrije natuur

Springen in de vrije natuur

cambrian-cross-countryL.jpg

Voordat je in galop heuvels, sloten etc. kunt bedwingen, moeten paard en ruiter goed uitgerust zijn. Veiligheid heeft in het veld namelijk de hoogste prioriteit. En om valpartijen te voorkomen, moet je tenminste over een veelzijdigheidszadel en een goed passend hoofdstel beschikken, het liefst met een normale watertrens. Eventueel kun je ook een loshangende martingaal gebruiken. Deze hulpteugel voorkomt dat je paard zijn hoofd te ver naar boven heft en zich zo aan de ruiterhulpen onttrekt. Deze hulpteugel moet zodanig worden aangebracht dat hij bij een normale hoofdhouding van je paard een rechte en ongebroken lijn vormt van de mond tot aan de ruiterhand. Sommige ruiters kiezen daarnaast ook voor springschoenen en peesbeschermers. Als ruiter kun je het best rijlaarzen  en een veilige cap dragen. Voor het springen buiten de manege zijn een veiligheidsvest en glijvaste handschoenen onontbeerlijk.

 

En nu uit het zadel met de billen en in verlichte zit. Dat is de basisvereiste voor het terreinrijden. Een ruiter die voor het eerst over natuurlijke hindernissen springt, moet goed en uitgebalanceerd kunnen zitten in alle gangen en daarmee op het paard kunnen inwerken. De ruiter moet zonder moeite gebogen lijnen, tempowisselingen en overgangen kunnen rijden. Voor de verlichte zit moet je de beugels vier tot vijf gaatjes korter maken vergeleken met de dressuurzit. Op die manier vormen voet- en kniegewrichten een grotere hoek. De ruiter buigt zijn bovenlichaam iets dieper in de richting van de paardenhals, zodat de heupgewrichten  sterker gebogen zijn.

 

Als je bergopwaarts rijdt of in rengalop, moet je bovenlichaam sterker gebogen zijn dan bij het bergafwaarts gaan of in een lager galoptempo. Het is belangrijk dat je ook zonder teugels je evenwicht goed kunt bewaren. Want één ding is echt uit den boze: trekken aan de teugels.

 

Een paard dat zijn eerste sprongen in het terrein maak, moet gewend zijn om in het terrein in alle gangen te lopen. Hij dient ook in elke situatie gehoorzaam te zijn en zich op diverse bodems en op een helling thuis te voelen en in balans te zijn. Heel belangrijk is het vertrouwen tussen paard en ruiter. Een paard moet altijd plezier beleven aan het springen in het veld. Daar moet je als ruiter goed op letten. Je moet je vierhoever zodanig opleiden, dat hij zonder dwang en druk zich dingen aanleert en dat hij zelfstandig en als vanzelfsprekend de hindernissen in het veld neemt. Het paard moet zich op tijd op de spring in het veld kunnen concentreren  en deze ook zonder steun van de ruiter in kunnen schatten om eroverheen te springen. Ook een goede warming-up is belangrijk. Net als in de dressuur en bij het 'gewone' springen, behoren langdurig losstappen met een losse teugel, enkele rustige drafrondjes (lichtrijden of in verlichte zit) en korte, rustige galoppades in de verlichte zit tot het warming-up programma. Na de rit, als je paard weer bij moet komen is een rustige drafje van belang, waarbij het paard de teugel uit je hand kauwt. Vervolgens stap je rustig nog wat rondjes. En hierbij geld eveneens: eis niet teveel van je paard, want plezier komt op  de eerste plaats. Een bepaalde basisconditie is echt nodig. Conditie krijgt je paard door regelmatige, afwisselend dressuuroefeningen te doen tijdens de springopleiding en als je met hem het terrein ingaat (ongeveer een uur per dag) Voor de hogere terreinsport is een speciale conditietraining nodig. Deze wordt geheel afgestemd op het individuele paard en de gestelde eisen. Elk paard heeft zijn individuele galoptempo. Dat tempo moet je al bij het benaderen van de hindernis hebben en aanhouden tot jullie over de hindernis heen zijn. Als de warming-up beëindigt en een galoptempo hebt gevonden waarin je paard ontspannen loopt, kun je buiten de eerste hindernissen aangaan.

 

Als je niet helemaal zeker voelt in je balans kun je een halsriem of een teugelbrug gebruiken. Bij de teugelbrug wordt de teugel van beide zijden over over elkaar gelegd  en in beide handen genomen. De ruiter steunt dan met zijn handen op de schoft, zonder aan de teugel te trekken.

 

De vierhoever gaat in het water liggen om eens lekker te rollen. Dat kondigt hij aan door met zijn hoeven te schrapen. Dan moet je direct de teugel aannemen en hem energiek voorwaarts drijven. Als je paard met vertrouwen in het water loopt in alle gangen kun je een sprong in het water doen en later ook een sprong uit het water. Maar let wel: water remt het paard in zijn beweging en vertraagt deze. Dat zie en voel je bij een spring in het water al heel goed. Het paard moet daarbij niet beperkt worden door de teugel, dus de teugel liever iets langer laten dan het paard in zijn mond te storen en het daarmee uit zijn balans te brengen. Bij hindernissen tegen een helling aan buig je je bovenlichaam sterker naar voren om je balans te kunnen behouden. Let er daarbij op dat je kuiten stevig tegen de singel aanliggen en dat je knieën goed aansluiten. Dot soort hindernissen rijd je met meer schwung en met een hoger tempo, dan de sprongen op vlak terrein. Af- en dieptesprongen daarentegen rijd je in een lager tempo aan. Je rijdt een dieptesprong ook in verlichte zit met het zwaartepunt van je lichaam naar achteren. Je kuiten strek je naar voren, je hakken zijn uitgedrukt. Doe je dit niet, dan ben je eerder dan je paard aan de andere kant van de hindernis. Het is belangrijk om het paard niet in zijn beweging te storen, want vooral bij diepte- en afsprongen moet hij zijn hals als balanshulp kunnen gebruiken.

 

Wat moet je doen als je paard in een galopgang als een kip zonder kop rondrent of als hij voor de hindernis blijft staan of er langs loopt? Vaak iet een paard dit door onzekerheid of vanwege ingebakken rijfouten of tegenstrijdigheden in de opleiding. Dan heb je hulp nodig van een ervaren trainer. Erop los rennen is meestal te wijten  aan een te harde hand. Als je paard de hindernis weigert te nemen en stilstaat, komt dat vaak door een verkeerde inwerking of aan gebrek aan vertrouwen. En als je paard langs de hindernis loopt, heb je hem niet rechtgericht of de afstand niet goed ingeschat.

 

Zorg bijje paard voor een positieve bevestiging: een aai of een verbale beloning, zodat je paard gemotiveerd blijft. Zo blijft een terreinrit leuk.