Informatievoorpaardenliefhebbers.jouwweb.nl

Wendingen maken

Een licht gebogen paardenlichaam van hoofd tot staart is een basisvereiste voor het correcte doorrijden van de hoeken, voor juiste voltes, voor perfecte keertwendingen vanuit een kleine volte, voor de oefening links- en rechtsomkeert en voor alles wat je nog meer van een paard vraagt.

 

On een wending correct te rijden moeten de gewichts-, been- en teugelhulpen harmonisch op elkaar afgestemd zijn en diagonaal inwerken. Voor je je paard laat buigen om de wending in te zetten moet je stelling vragen - een voorbereiding voor het buigen. Daarvoor neem je de binnenteugel iets meer aan en geef je met de buitenteugel lichtjes na. Zodra je aan de binnenzijde het paardenoog en de neusvleugel kunt zien, heb je de gewenste stelling bereikt

 

Om een correcte wending te kunnen rijden, moet de binnenzijde van het paard vanaf de hals tot aan zijn staart korter worden. Daardoor bereik je een oprekken van de buitenzijde. Let er bij een wending op dat de hals niet sterker wordt ingebogen dan de romp. Als dat wel het geval is, werken de teugels sterker in dan de gewichts- en beenhulpen.

 

Met een sterk ingebogen hals gaat het al in de eerste hoek mis. Het paard valt over de schouder naar buiten weg. De oefening volte verkleinen en vergroten en slangenvoltes door de hele baan helpen je om het paard goed te gymnasticeren en voor te bereiden op soepele wendingen.

 

Een van de meest voorkomende fouten is de ongelijke teugelvoering. Die leidt ertoe dat het paard zijn hoofd kantelt. Een ander veel voorkomende fout is dat het paard zich in de hoek weliswaar correct laat stellen, maar dat de ruiter het daarbij niet met zijn zit en zijn benen tegen de begrenzende buitenteugel drijft. Wat gebeurt er dan? Het paard valt over de schouder naar buiten weg. Om dat te voorkomen moet de ruiter zijn paard voor de hoek met een halve ophouding op de buitenteugel voorbereiden en de binnenste zitknobbel sterker belasten. Hij moet zijn hoofd en zijn bovenlichaam in de richting draaien waarheen hij gaat. Dat gebeurt al bijna vanzelf als de ruiter kijkt in de richting waarheen hij gaat. Dan drijft het binnenbeen op de singel en activeert hij het binnenachterbeen van het paard om verder onder te treden. Tegelijkertijd ligt het buitenbeen begrenzend en wakend achter de singel waardoor het wegvallen van de achterhand kan worden voorkomen.