Informatievoorpaardenliefhebbers.jouwweb.nl
Home » Ziek paard » Rhinopneumie 1 » Rhinopneumonie 2

Rhinopneumonie

Equine Herpesvirus (EHV) type 1 en 4 staan samen bij de paardeneigenaren bekend als de verwekkers van Rhinopneumonie of kortweg Rhino. EHV1 en EHV4 veroorzaken luchtweginfecties. Dit leidt tot koorts, lusteloosheid en verminderde eetlust. EHV1-infecties kunnen echter ook abortus veroorzaken. De merries zal alleen een veulen verwerpen als deze in de tweede helft van de dracht wordt geïnfecteerd. In de weken na de luchtweginfectie wordt het virus via de bloedsomloop naar de drachtige baarmoeder getransporteerd. Daardoor kan de placenta loslaten of het veulen zelf geïnfecteerd worden wanneer het virus door de placenta heen dringt. Het ongeboren veulen, al dan niet besmet, sterft en wordt afgedreven. De tijd tussen infectie en abortus kan sterk variëren (van 10 dagen tot 4 maanden). Abortus door een EHV1-infectie komt geregeld voor. Af en toe komt de neurologische vorm van Rhino voor. In dit geval infecteert het virus de bloedvaatjes die het ruggenmerg en de hersenen van bloed voorzien. Hierdoor ontstaat een bloedstolsel met beschadiging van de zeer gevoelige zenuwcellen. Het gevolg is ongecontroleerde bewegingen en verlammingen. Gelukkig is deze vorm van Rhino zeldzaam.

Bij paarden treffen we vooral de typen EHV1 en EHV4 aan. De equine herpersvirussen type 1 en 4 zijn nauw verwant. Het belang van EHV1 en EHV4 en hun verschillende rol bij diverse ziektebeelden is de afgelopen decennia steeds duidelijker geworden. EHV4 veroorzaakt overwegend luchtwegproblemen bij relatief jonge paarden, maar kan incidenteel abortus en zelfs verlammingsverschijnselen veroorzaken. EHV1 kan dezelfde luchtwegproblemen veroorzaken, maar is tevens de belangrijkste infectieuze veroorzaker van abortus laat in de dracht, soms leidend tot een epidemie van abortus uitbraken op een bedrijf.

Het risico op EHV-besmetting is het grootst bij import van besmette paarden op een bedrijf. Nieuwe paarden (of paarden die terugkomen van een andere locatie) moeten drie tot vier weken apart gehouden worden voordat zij bij de andere paarden (vooral drachtige merries) toegevoegd kunnen worden. Drachtige merries moeten apart gehouden worden van de pas gespeende veulens en eenjarige parden. De op de markt zijnde vaccins bieden bescherming tegen de verkoudheidsvorm, dus de griepachtige verschijnselen. Er is geen waterdichte bescherming tegen verwerpen en voor verlammingsverschijnselen. Vaccins dienen vooral om de uitscheiding van het virus te beperken. Daarom heeft het de voorkeur om alle paarden in de stal te vaccineren tegen EHV.