Informatievoorpaardenliefhebbers.jouwweb.nl
Home » Training » Paard en ruiter in harmonie » De hulpen » Samenhang tussen de hulpen

Samenhang tussen de hulpen

Zo leert de ruiter in het begin zijn handen, benen en lichaamsgewicht te gebruiken. Hij formuleert daarmee eenvoudige vragen door, weliswaar niet altijd even goed, twee of meer hulpen met elkaar in verband te brengen. Geleidelijk aan leert hij zijn hulpen nauwkeurig te gebruiken en combineert hij ze correct: dan is er sprake van een samenhang tussen de hulpen.

De hulpen kunnen handelen, meegeven of weerstand bieden. Als je je benen sluit om het paard in draf over te laten gaan, dan handelen je benen. Als het paard in galop overgaat, sluiten je vingers om de teugels: ze bieden weerstand. Het bovenlichaam richt zich op en biedt ook weerstand. Zodra het paard weer gaat draven, openen je vingers zich. Je handen geven mee. Zodoende gebruik je in bijna alle acties een aantal hulpen tegelijk in samenhang met elkaar.

Om het paard voorwaarts te laten gaan, werk je met je benen en je zit. Maar alvorens een voorwaartse beweging te vragen, moet je je handen laten meegeven door je vingers rond de teugels te openen. Als je je vingers niet opent, vraagt je je paard voorwaarts te gaan zonder hem daarvoor toestemming te geven. Je boodschap te verwarrend.

De acties van je handen en de positie van je bovenlichaam kunnen deze impuls doseren. In een wending bijvoorbeeld heeft het paard de neiging langzamer te gaan. Je geeft stuwing via je zit om het ritme van de gang te handhaven. Je vingers wijken van de teugels. Als je uit de wending komt, sluit je je vingers min of meer om de eerder verkregen impuls te temperen. Je versterkt de actie door je bovenlichaam groter te maken, wat je lichaamsgewicht iets naar achteren zal doen verplaatsen.

Om te wenden gebruikt de ruiter een direct (binnenteugel) of indirect (buitenteugel) effect. Tijdens een wending bijvoorbeeld handelt de ruiter door de vingers te sluiten en door de pols te kantelen naar de zijde waarheen men wil keren. De andere hand geeft mee om het paard de gelegenheid te geven zich om te buigen. De blik van de ruiter gaat in de gevraagde richting. Door dit te doen brengt de ruiter meer gewicht over op de bil van de bewuste kant. Tegelijkertijd zorgen de zit en benen voor de impuls. Op deze manier is er voor het paard samenhang tussen alle indrukken. De boodschap is helder: vooruit, in die richting.