Informatievoorpaardenliefhebbers.jouwweb.nl
Home » Voeding » Al het goede van ruwvoer

Al het goede van ruwvoer

Horse-eating-hay.jpg

De vezels in ruwvoer zijn voor een paard noodzakelijk om zijn darmen op gang te houden, daarnaast kan een uitgebreide ruwvoorziening een heleboel praktische problemen helpen voorkomen.

 

Het paard is een grazer die het liefst meer dan 16 uur per dag aan eten besteed. Ruwvoer, zoals gras en hooi, oftewel ruwe celstof. Ruwe celstof is de verzamelnaam voor de structurele koolhydraten die de wand van elke plantaardige cel vormen. Deze koolhydraten worden niet enzymatisch verteerd in de dunne darm, maar door bacteriën gefermenteerd in de dikke en blinde darm. De stoffen die bij dit proces vrijkomen (vluchtige vetzuren, zoals boterzuur, azijnzuur en propionzuur) dienen als energieleverancier voor de gastheer, in dit geval het paard.

 

Het spijsverteringssysteem van en paard is aangepast aan een structuurrijk rantsoen met veel volume, zonder een aanzienlijke hoeveelheid vezels worden de darmen niet genoeg geprikkeld om goed functioneel te blijven. Ook zal een paard weinig kauwen, weinig buikvulling hebben en zich bovendien gaan vervelen; maagzweren, humeurigheid en stalgebreken zijn hiervan het gevolg.

 

Elk paard kan prima overleven zonder krachtvoer, maar teveel krachtvoer kan schadelijk zijn voor de gezondheid. Een paard heeft minimaal één kilogram drogestof uit ruwvoer per 100 kilogram lichaamsgewicht nodig om zijn darmen op gang te houden. Dat houdt in dat een paard van 600 kilogram, naast eventueel krachtvoer, minimaal 7,5 kilogram hooi (80% drogestof) nodig heeft, alleen maar om te overleven.

 

Een paard dat geen arbeid verricht en niet drachtig is of een veulen heeft, redt zich prima met een rantsoen bestaande uit 100% ruwvoer. Een paard dat getraind wordt op niveau 1 of 2 (recreatie, dressuur en springen op B/L niveau en hiermee vergelijkbare activiteiten) heeft weinig of geen krachtvoer nodig en kan goed vooruit met een rantsoen dat volledig, of in ieder geval grotendeels, uit ruwvoer bestaat. Het lichaam past zich aan, aan de grote hoeveelheden ruwvoer en gaat dit zeer efficiënt verteren. Als gevolg daarvan wordt ongeveer 80% van de energiebehoefte van het paard gehaald uit de vetzuurproductie van de bacteriën in de blinde en dikke darm; de overige 20% wordt gedekt met de enzymatische suiker-, zetmeel- en (voor een heel klein deel) vetvertering in de dunne darm. Presteert je paard op niveau 3 (springen en dressuur klasse M/Z, samengestelde mensport en hiermee vergelijkbare activiteiten), dan mag je rantsoen in verhouding meer krachtvoer en minder ruwvoer bevatten. Houd hierbij een minimum aan van 70% ruwvoer. Arbeid op niveau 4 (ondermeer eventing, draf- en rensport en vergelijkbaar) vraagt om een geconcentreerder rantsoen dat bestaat uit minimaal 65% ruwvoer. Minder ruwvoer is niet verstandig, meer kan altijd!

 

Grof hooi is afkomstig van weilanden dat later in het jaar zijn gemaaid, waardoor het gras in verhouding meer stengel en minder blad heeft. Dit biedt veel structuur, maar slechts weinig energie en is daarom uitermate geschikt voor te dikke paarden of paarden die gevoelig zijn voor hoefbevangenheid. Van nature ranke paarden zijn vaak temperamentvol. Extra energie in de vorm van suiker en zetmeel, zoals die in krachtvoer zit, zal het temperament versterken en het paard wellicht moeilijk in de omgang maken. Een ruime hoeveelheid grof hooi, eventueel in combinatie met wat voordroog biedt in dit geval een geschiktere energiebron.

 

De celwand die een plantencel omgeeft, bestaat ondermeer uit cellulose, hemicellulose en lignine: koolhydraten die zeer taai van structuur zijn (structurele koolhydraten). Deze vezels zorgen ervoor dat ruwvoer veel praktische problemen kan helpen voorkomen. Om de celinhoud (onder andere waardevolle eiwitten en energie vrij te maken, moet de celwand gebroken worden; er moet dus goed worden gekauwd op het ruwvoer. Een paard is een sociaal dier en ingesteld op vrije beweging. De drang naar het uitvoeren van dit natuurlijke gedrag is altijd prominent aanwezig en wanneer een paard hierin beperkt wordt, kunnen stalgebreken ontwikkelen. Met een ruime ruwvoervoorziening kan het paard een groot deel van de dag eten, waardoor zijn behoefte om te kauwen wordt bevredigd, hij voldoende buikvulling heeft en bovendien de hele dag bezig kan zijn.

 

De paardenmaag 'verwacht' gedurende de hele dag een constante aanvoer van kleine beetjes voedsel. Volledig aangepast aan een natuurlijke situatie, scheidt de maag daarom continu maagzuur af. Een niet-eetbare stalbodem in combinatie met weinig ruwvoer zorgt ervoor dat de maag enkele uren per dag leeg is. Dit heeft een dubbelzijdig effect: door de continue zure inhoud wordt de pH in de maag zo laag dat de maagwand aangetast raakt. Daarnaast wordt er door te weinig kauwactiviteit te weinig speeksel geproduceerd. Het speeksel van het paard bevat grote hoeveelheden natriumbicarbonaat: een stof die voor de maag belangrijke bufferende eigenschappen heeft. Omdat het zoveel kauwactiviteit vraagt, is ruwvoer dus een erg belangrijke en efficiënte manier om maagzweren te voorkomen. Per kilogram voer is een paard namelijk aanzienlijk langer bezig met ruwvoer dan met krachtvoer, waardoor de maag langer gevuld is. Dit is van belang, omdat er in een lege maag een terugloop kan ontstaan. Hierbij stromen galzouten vanuit de dunne darm terug naar de maag en veroorzaken daar in combinatie met het maagzuur ernstige schade aan de maagwand.

 

Ruwvoer van zwaar besmette grond bevat voor paarden te hoge gehaltes aan suiker en eiwit en kan diverse problemen geven, zoals stalbenen, hoefbevangenheid en vervetting. Ruwvoer van onbemeste grond, zoals natuurhooi, kan daarentegen dusdanig scheve mineralengehaltes hebben dat het paard flinke tekorten aan bepaalde stoffen ontwikkelt. Kuilgras heeft een drogestofgehalte van 40% of lager en bovendien een hogere zuurgraad, waardoor het bij paarden eerder maagzweren kan veroorzaken. Verder is het structuurgehalte van kuilgras laag. Voordroog is eenzelfde product als kuil, maar hiervoor is het gras langer gedroogd (4 dagen of langer, tegenover maximaal 2 dagen bij kuilgras), voordat het werd ingekuild. Met een drogestofpercentage van 505 tot 65% en een hogere pH is voordroog heel geschikt als paardenvoer. Het drogestofgehalte van stro is ongeveer even hoog als van hooi (ongeveer 80%), maar doordat het bestaat uit bloeistengels van graanplanten en niet uit gras, bevat het vele malen meer lignine. Deze eerder genoemde structurele koolhydraat is niet verteerbaar, waardoor de opname soms sneller verloopt dan de uitscheiding. Een ophoping van zeer droge mest is hiervan het gevolg. Bij paarden die veel stro krijgen, is het des te meer van belang om voldoende beweging te bieden.

 

Als ruwvoer zo belangrijk is, hoe moet dat dan met paarden met gebitsproblemen of met oude paarden die niet veel tanden meer over hebben en dus niet goed kunnen kauwen? Sommige krachtvoerleveranciers zijn erin geslaagd om speciaal voor deze paarden een voer te produceren waar niet veel op gekauwd hoeft te worden en wat toch in het belangrijkste behoeftes voorziet. Een dergelijk 'seniorenvoer' vraagt nauwelijks kauwactiviteit, omdat het enkele uren geweekt moet worden en dus nat wordt gevoerd (zoals bietenpulp). Verder bezit het alle eigenschappen van ruwvoer. Door de vele vezels biedt het waardevolle voedingsstoffen en maag- en darmvulling en houdt het de bacteriehuishouding in de darmen gezond.

 

Kies een ruwvoer dat bij je paard past qua voeder- en structuurwaarde en wees altijd alert op schimmel, broei, kadavers en bijvoorbeeld geplette colablikjes in je voer. Schimmel is gemakkelijk te herkennen aan een muffe geur. In veel gevallen  zullen er witte, groene of blauwe schimmelplekken in het ruwvoer te zien zijn. Bij opname kan schimmel koliek veroorzaken, daarnaast werken de sporen van droge schimmel irriterend op de luchtwegen, zeker bij paarden die daarvoor gevoelig zijn. Broei is in principe niet schadelijk, maar vermindert wel de smakelijkheid van ruwvoer. Hoewel botulisme in ruwvoer voor paarden niet vaak voorkomt, is het toch verstandig om op de hoogte te zijn van de risico's. Botulisme kan ontstaan wanneer er kadavers in het ruwvoer zitten. Vind je dode muizen of vogels in je ruwvoer, wees dan op je hoede. Botulisme is dodelijk, het paard vertoont tekenen van koliek, raakt daarna verlamd en overlijdt tenslotte.